Een kijkje in de keuken bij…

Nieuwe serie! Een kijkje in de keuken bij…
het Friesland College

Wim van Tol over praktijkgestuurd leren

In een nieuwe serie artikelen interviewen we voorlopers die bezig zijn met het vernieuwen van het zorg- en welzijnsonderwijs. Het doel van de serie? Van elkaar te leren! Wim van Tol (senior beleidsadviseur innovatie bij het Friesland College) bijt het spits af.

Het Friesland College heeft de opdracht mensen op te leiden tot competente beginnende vakmensen en hen voor te bereiden op een vervolgstudie. Dit vraagt om onderwijs, gericht op up-to-date kennis, een breed scala aan beroepsvaardigheden, ontwikkeling van persoonlijke kwaliteiten en inzicht in de beroepsidentiteit. Het voldoen aan deze vier basiseisen vereist een leerproces van hoge kwaliteit. Dit wordt gerealiseerd binnen het onderwijsconcept praktijkgestuurd leren (zie kader onderaan). Een jaar of twintig geleden is het Friesland College gestart met de ontwikkeling hiervan om een betere aansluiting te realiseren tussen praktijk en beroepsonderwijs. Belangrijke uitgangspunten: het aanbieden van actuele kennis is beter te realiseren als de school dichterbij of IN de praktijk werkt en voor studenten is het motiverender om zoveel mogelijk opgeleid te worden in een organisatie/bedrijf.

Hoeveel zorg- en welzijnsstudenten volgen de praktijkroute?

“We begonnen in 2012 met 26 studenten. Inmiddels doen alle studenten van de beroepsopleidende leerweg in de regio’s Drachten en Heerenveen en een deel van de studenten in de regio Leeuwarden de praktijkroute: zo’n zeshonderd studenten, vooral van niveau 3 en 4. Zij leren vanaf dag 1 in de praktijk bij een zorgorganisatie.”

Aan welke exameneisen moeten studenten voldoen?

“Het examen is gebaseerd op hetzelfde examenplan als dat van de reguliere opleidingen. Tijdens de opleiding zijn de eisen uit het kwalificatiedossier leidend. Eens per zes weken heeft elke student een gesprek met zijn coach en werkbegeleider. In zo’n driegesprek kijken zij onder meer of de student op koers ligt en over welke onderdelen uit het kwalificatiedossier hij/zij misschien nog moet leren.”

De rol van de docenten is veranderd?

“Ja. Docenten zijn zowel vakspecialist als coach. Ze werken niet meer met methoden of een urentabel; er is geen vast programma. Ervaringen die studenten opdoen in de praktijk zijn leidend. Op basis hiervan formuleren studenten leervragen die ze zelf, met behulp van anderen, gaan beantwoorden. Studenten kunnen informatie vergaren in een van de Werkplaatsen. Deze bieden theoretische verdieping en worden op vaste momenten in de week door docenten – of praktijkdeskundigen ­- aangeboden bij een zorgorganisatie. Er zijn diverse thematische Werkplaatsen; studenten kiezen zelf waar ze heen gaan, in overleg met hun coach. Docenten spelen een belangrijke rol in het helpen formuleren van leervragen en in het bevorderen van verdiepend leren. Zij werken veelal vanaf een praktijklocatie: ze zien daar hoe studenten functioneren en hebben meer contact met werkbegeleiders.”

Hoe vinden docenten deze veranderingen?

“De eerste groepen waren heel enthousiast. Zij hadden zelf gekozen om mee te doen met de vernieuwingen. Inmiddels zijn meer docenten ‘overgestapt’, maar niet altijd uit vrije keuze. Nu blijkt dat niet iedereen zich als een vis in het water voelt bij de nieuwe werkwijze of zowel een goede coach als vakspecialist is. Het zal tijd kosten, voordat iedereen zijn draai heeft gevonden.”

Ook de rol van werkbegeleiders is veranderd?

“Ja. Vroeger hielpen ze studenten vooral bij het aanleren van vaardigheden. Nu coachen ze studenten ook, bijvoorbeeld door het stellen van ontwikkelingsgerichte vragen: Waarom doe je het zo? Kan het ook anders? In welke Werkplaats kun je verdieping vinden?
Bij een van onze samenwerkingspartners, ZuidOostZorg, heeft de overgang naar praktijkgestuurd leren tot gevolg gehad dat de functie van praktijkopleider is verdwenen, vanuit de gedachte dat onze docenten verstand hebben van leren en werkbegeleiders van zorg. De functie van praktijkopleider voegt dan niet zoveel meer toe.”

Hoe ervaren studenten deze manier van opleiden?

“Zij zijn onze beste ambassadeurs! De meesten zijn uitermate positief. Gemiddeld besteden studenten wekelijks 15 uur per week aan verdieping in een Werkplaats, 10 aan zelfstudie en 15 aan leren in de praktijk. Deze verdeling blijkt motiverend. Sommige studenten zijn wel een half jaar eerder klaar met hun opleiding.
Overigens: de uitval is nog hoger dan we gehoopt hadden. Wat meespeelt, is dat studenten erg jong zijn als ze aan de praktijkroute beginnen en niet altijd een goed beeld hebben van de sector waarvoor ze gekozen hebben. Soms blijkt het niet de juiste keuze. Daarom hebben we de oriëntatieperiode nu aangepast.”

Zijn de zorgorganisaties tevreden over praktijkgestuurd leren?

“Beslist! Voorheen kregen ze nog wel eens gediplomeerden in dienst, die eerst bijgeschoold moesten worden. Dat is nu voorbij. Onze afgestudeerden kennen het klappen van de zweep. Vaak kunnen ze – na afronding van de opleiding – direct in dienst komen bij een zorgorganisatie.”

Hoe zijn de ministeries van OCW en VWS betrokken bij het praktijkgestuurd onderwijs?

“Aanvankelijk zochten we zelf binnen de wet de ruimte. In 2015 kwam minister Bussemaker van OCW op bezoek. We kaartten toen onder meer aan dat de kwalificatiedossiers achterlopen op de praktijk. Zo is er bijvoorbeeld geen aandacht voor zorg-ict en technologie. Bovendien ligt de nadruk te sterk op verpleegkundige handelingen en is er onvoldoende aandacht voor het welzijn van cliënten. Ik heb het idee dat we wel gehoor vonden, want inmiddels is de Experimenteerregeling Ruimte voor de Regio van kracht, waarmee ruimte wordt geboden aan scholen om op basis van bestaande kwalificaties samen met het bedrijfsleven geregionaliseerde opleidingen te ontwikkelen.
Met VWS hebben we weinig contact. Jammer, want vooral de Wet BIG levert soms hoofdbrekens op. We zouden graag in gesprek willen over welke handelingen nu écht aangeleerd moeten worden tijdens de opleiding.”

Hoe oordeelt de Onderwijsinspectie over praktijkgestuurd leren?

“Die is laaiend enthousiast, met name over de taakvolwassenheid van de studenten. Wat meehielp, is dat we samen met de Inspectie de kwaliteitsnormen hebben ontwikkeld. Dit vormt het kijkkader van waaruit de Inspectie de kwaliteit beoordeelt.”

Welke ‘kinderziektes’ hebben jullie ervaren?

“We wilden te snel opschalen. Dat werkte niet; het is niet de bedoeling om docenten en studenten slecht voorbereid in het diepe te gooien. Sowieso hebben we geleerd om studenten meer bij de hand te nemen. De meesten kunnen niet zomaar een leervraag formuleren of regie nemen over hun opleidingstraject. Ook hebben we geleerd dat het belangrijk is dat studenten elkaar regelmatig zien in het dagelijks werk, dat ze elkaar kunnen observeren en samen reflecteren, en dat ze aan opdrachten kunnen werken in de Werkplaatsen. Ze hebben elkaar echt nodig.”

Welke onderdelen komen nog niet goed uit de verf?

“We hadden gehoopt dat ook medewerkers van de zorgorganisaties zouden meedoen met de Werkplaatsen, om zo de professionalisering van de zorgorganisaties een impuls te geven. Dat gebeurt echter minder vaak dan gedacht, ook omdat medewerkers dit meestal in hun eigen tijd moeten doen. Bovendien focussen docenten in hun onderwijs vooral sterk op studenten, waardoor medewerkers zich minder aangesproken voelen. Vanuit het oogpunt dat je een Leven Lang Ontwikkelen samen vorm geeft, zijn hierin nog wel stappen te zetten op basis van een gezamenlijke professionaliseringsstrategie.”

Wat zijn voorwaarden om praktijkgestuurd leren tot een succes te maken?

“Alles staat of valt met het partnerschap van de betrokkenen. Er moet een gedeeld belang zijn: zowel onderwijs als praktijk moet iets te winnen hebben bij de nieuwe aanpak en zich er volop voor willen inzetten. Een vernieuwing als deze gaat hoe dan ook een hoop gedoe opleveren. Dat overwin je alleen, als iedereen erachter staat. Dat was bij ons het geval. In het begin belden Anke Huizenga, bestuursvoorzitter van ZuidOostZorg, en Liesbeth Vos, onze toenmalige voorzitter van het college van bestuur, elkaar bijna dagelijks. Ook op managementniveau en de werkvloer was er veel commitment.
Verder is verwachtingsmanagement essentieel. Vertel medewerkers, toekomstige studenten en hun ouders hoe de praktijkroute eruitziet. Evalueer regelmatig hoe het gaat. Tot slot: blijf investeren in doorontwikkeling. Onderwijsvernieuwing is eigenlijk nooit klaar.”

In een volgende aflevering van deze serie komt een andere onderwijsvernieuwer aan het woord. Heb je een tip voor hem/haar?

“Focus niet op de vorm, maar op de inhoud. Er moet een gedeelde visie zijn op leren en op de ontwikkelingen in de sector als je intensief gaat samenwerken met de praktijk.”

Wat zou je de volgende kandidaat graag willen vragen?

“Welke efficiënte manieren hij/zij inzet om studenten te coachen in hun leerproces. Dat is en blijft voor docenten en werkbegeleiders altijd een grote uitdaging. We zouden hen daar graag nog beter mee willen helpen.”

Kenmerken
Praktijkgestuurd leren gaat uit van zes leerprincipes.


1. Leren begint in de context van de praktijk. Het onderwijs wordt meestal gegeven vanaf een praktijklocatie, maar dat is geen doel op zich. De insteek is dat docenten aanwezig zijn, nabij aan waar het leren plaatsvindt. (Soms sluiten kleinere instellingen zich aan bij een ‘grotere locatie’. En soms vinden Werkplaatsen, bijvoorbeeld voor de talen, op school plaats).

2. Er is een continue cyclus van doen en leren. Studenten doen ervaringen op in de praktijk en krijgen hierop feedback van docenten, werkbegeleiders, medestudenten.

3. Verdieping. De noodzakelijke verdieping maakt praktijkkennis wendbaar, geeft studenten inzicht in inhoud en leren en zorgt ervoor dat zij zichzelf na hun opleiding kunnen sturen.

4. Reflectie, als motor van verdieping. Reflectie vindt plaats op drie momenten: voorafgaand aan het werk, tijdens het werk en na afloop.

5. Rol van de begeleiding. Begeleiders zorgen ervoor dat studenten zich van (leer)ervaringen bewust worden, reflecteren en verdiepen en vervolgens nieuwe ervaringen opdoen.

6. Twee vormen van beoordeling:

  • Beoordelen om te leren: de docent of werkbegeleider geeft vanuit zijn/haar deskundigheid feedback, opdat de student een volgende stap in het leerproces kan zetten.
  • Beoordelen om te verzilveren: er wordt gekeken of de student voldaan heeft aan externe standaarden, zoals vastgelegd in het kwalificatiedossier.

Tekst: Femke van den Berg (Bureau Bisontekst)


Geplaatst op: 13 juni 2019
Laatst gewijzigd op: 13 juni 2019